De gewijzigde bemiddelingsprocedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen: een gemiste kans?

Op 3 maart 2021 wijzigde de Vlaamse regering het DBRC-decreet met de bedoeling om te komen tot een meer oplossingsgerichte bestuursrechtspraak door het optimaliseren van de bemiddelingsprocedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. De Vlaamse regering is immers van mening dat het wenselijk is om het gebruik van bemiddeling te blijven stimuleren omdat deze kan leiden tot een meer duurzame oplossing van geschillen.

Om deze stimulans te bewerkstelligen werden enkele procedurele bepalingen uit de bemiddelingsprocedure vereenvoudigd.

Zo wordt om te beginnen de verplichting om de opstart van de bemiddeling met een tussenarrest te formaliseren afgeschaft. De regering vindt deze verplichting immers een louter formalisme, dat weinig meerwaarde biedt en onnodig tijd in beslag neemt. De kamervoorzitter van de Raad doet in het tussenarrest in wezen immers niets meer dan vaststellen dat er een gezamenlijk akkoord tot bemiddeling bestaat. Voortaan zal de Raad een geschil met een proces-verbaal kunnen laten overgaan tot bemiddeling.

Vervolgens worden de kennisvereisten van de bemiddelaar geherformuleerd. De uitbreiding van de bevoegdheden van de Raad en de toenemende complexiteit van dossiers maken het volgens de decreetgever immers wenselijk om de huidige bepaling te herformuleren. Zo zal de bemiddelaar nog steeds moeten beschikken over een grondige kennis van de regelgeving inzake ruimtelijke ordening of milieurecht, maar wordt deze vereiste uitgebreid naar een grondige kennis van de materie die het voorwerp uitmaakt van de betwisting.

Dat de Vlaamse regering zich blijft inzetten voor een meer oplossingsgerichte bestuursrechtspraak is een positief gegeven. De ingevoerde wijzigingen schieten echter nog tekort, gezien de nood aan een meer doordrongen optimalisatie van de bemiddelingsprocedure.

Negen jaar na het instellen van de bemiddelingsprocedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen dient immers vastgesteld te worden dat doorheen de jaren slechts een zeer lichte stijging in het aantal opgestarte bemiddelingspogingen te merken is en dat deze stijging in het niets valt tegenover de dagelijkse instroom aan nieuwe verzoekschriften bij de Raad. Zo werden er in het werkingsjaar voorafgaand aan de wijziging van het DBRC-decreet, i.e. van 1 september 2019 tot en met 31 augustus 2020, 915 annulatieprocedures opgestart bij de Raad in de vernietigingsprocedure evenals 6 vorderingen tot de schorsing. Deze instroom aan verzoekschriften staat in schril contrast met de dertien opgestarte bemiddelingspogingen van dat jaar.

Er is dus zeker nog ruimte voor verbetering opdat de bemiddelingsprocedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen in de toekomst écht zou kunnen bijdragen tot het realiseren van een afdoende alternatieve conflictoplossing.

Eibhlin Vandekerckhove