Postinterventiedossier

De doelstelling van postinterventiedossier (verder PID) is de veiligheid en de gezondheid van arbeiders op werven te verhogen. De verplichting om het PID op te stellen, of te laten opstellen, valt op de bouwheer. In de praktijk blijkt dat hieromtrent vaak problemen ontstaan naar aanleiding van de verkoop van onroerende goederen die verhuurd werden of worden.

Het postinterventiedossier (verder PID) komt voort uit Europese regelgeving (Richtlijn 92/57/EEG5) en werd omgezet via de wet van 4 augustus 1992 betreffende het welzijn van de werknemers bij uitvoering van hun werk. De uiteindelijke invoering van het PID geschiedde door het KB 25 januari 2001(BS 7 februari 2001) betreffende de tijdelijke of mobiele werkplaatsen.

De doelstelling van dit PID is de veiligheid en de gezondheid van arbeiders op werven te verhogen. Door documenten en nuttige gegevens aangaande voorheen uitgevoerde werken in een dossier samen te brengen kan hiermee bij latere werkzaamheden rekening worden gehouden en kunnen deze worden aangepast aan de kenmerken van het bouwwerk. Het is dan ook de bedoeling dat dit PID steeds verder wordt aangevuld naar aanleiding van nieuwe werken die plaatsvinden. Het opstellen van dit PID is vereist voor alle werkzaamheden die na 1 mei 2001 werden aangevangen en aan de voorwaarden hiertoe voldoen.

De verplichting om het postinterventiedossier op te stellen, of te laten opstellen, valt op de bouwheer. Indien slechts één aannemer de werken uitvoert dient de bouwheer het PID zelf bij te houden. In het geval er meerdere aannemers werkzaam zijn zal de aangestelde veiligheidscoördinator het PID dienen op te stellen of aan te vullen. De inhoud van het PID is afhankelijk van de grootte van de werken, de gevaren die erbij komen kijken en het aantal aannemers dat werken uitvoert.

Een belangrijke uitzondering geldt voor doe-het-zelvers die werken uitvoeren in een gebouw waarvoor voordien nog geen PID werd opgesteld. In dit geval dient geen PID te worden opgemaakt.

Inzake het bouw- en aannemingsrecht is het opstellen van een PID op heden reeds goed ingeburgerd. Dit aangezien bij een verkoop van een onroerend goed, al dan niet gedeeltelijk, steeds het PID dient te worden overhandigd aan de koper vooraleer de akte houdende de verkoop kan worden verleden.

In de praktijk blijkt dat hieromtrent vaak problemen ontstaan naar aanleiding van de verkoop van onroerende goederen die verhuurd werden of worden. Het komt steeds vaker voor dat notarissen niet willen overgaan tot het verlijden van akten tenzij het aangepaste PID wordt bijgebracht.

De verplichting tot het opstellen van het PID blijft immers ook van toepassing indien de huurder werken uitvoert die een postinterventiedossier vereisen. De opdrachtgever, in casu de huurder, is gehouden het PID aan te vullen.

Hiertoe is het vooreerst de taak van de verhuurder om het eventueel reeds bestaande PID over te maken aan de huurder zodat deze hiermee kan verder werken. Teneinde de verhuurder verder te beschermen en de verplichtingen omtrent het PID duidelijk bij de huurder te leggen (en hem omtrent deze plichten te informeren) is het ook aangewezen om hieromtrent in de gesloten huurovereenkomsten duidelijke bepalingen te voorzien.

Een huurder die immers reeds uit het pand vertrokken is doch voordien reeds werken heeft uitgevoerd zonder het PID aan te passen of op te maken zal niet snel geneigd zijn alsnog de kosten te maken tot het vervullen van deze verplichtingen. Duidelijke, strikte bepalingen hieromtrent in de huurovereenkomst, al dan niet voorzien van eventuele sancties, kunnen de afdwingbaarheid van de PID-verplichting ten aanzien van de huurder bevorderen en zullen ervoor zorgen dat de verhuurder op het einde van de huurovereenkomst hiervoor niet zelf kosten moet gaan maken

ORYS Advocaten staat ter uwer beschikking om uw huurovereenkomsten aan te passen.

Indien u op de hoogte wens te blijven van de wijzigingen in ons juridische universum, laat dan niet na om uw gegevens achter te laten in onderstaand formulier.

Menu