Sommigen onder ons werden er al mee geconfronteerd, anderen zullen er spoedig kennis mee maken : de sinds 1 juni 2016 van kracht zijnde verplichting om een archeologienota bij het aanvraagdossier van een stedenbouwkundige of verkavelingsvergunning te voegen onder bepaalde voorwaarden.

Deze nota moet in beginsel worden voorafgegaan door een archeologisch proefonderzoek, waarbij al stalen van de bodem worden genomen. In uitzonderlijke gevallen (vb. voor reeds bebouwde percelen) kan een beperkte bureauonderzoek volstaan.

Deze verplichting blijkt daardoor in de praktijk niet alleen een zware administratieve last, maar kan ook het kostenplaatje van een project aanzienlijk verhogen.

Hierbij wordt ook worden opgemerkt dat deze kosten dienen te worden gemaakt voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag, nu een goedgekeurde archeologienota is opgenomen in het dossiersamenstellingsbesluit van 28 mei 2004. Het niet voegen van dergelijke bekrachtigde nota bij het aanvraagdossier zal, in de gevallen waarin een archeologienota vereist is, dan ook tot de onvolledigverklaring van de vergunningsaanvraag leiden.

De decreetgever schuift daarbij de financiering van deze onderzoeken grotendeels in de schoenen van de vergunningsaanvrager (artikel 10.3.1 van het Erfgoeddecreet).

Het Erfgoeddecreet voert twee milderende mechanismen in, waarbij de aanvrager van de vergunning een financiële tegemoetkoming kan verkrijgen. Enerzijds voorziet het Erfgoeddecreet in de mogelijkheid tot oprichting en erkenning  van archeologische solidariteitsfondsen, anderzijds in een specifieke premie voor buitensporige kosten van het archeologisch onderzoek.

Vooralsnog werd geen enkel solidariteitsfonds erkend, zodat deze regeling vooralsnog dode letter blijft. Daarnaast is de premie voor buitensporige opgravingskosten uitgesloten voor quasi alle professionele actoren in de vastgoedsector (projectontwikkelaars).

Het een en het ander doet vragen naar de wettigheid van deze financieringsregels, te meer wanneer men weet dat alle kosten ten gevolge van toevalsvondsten gedekt worden door de Vlaamse overheid. Het is dan maar ook ten zeerste te vraag of deze regeling een toets door het Grondwettelijk Hof aan het gelijkheidsbeginsel zou doorstaan.

De erfgoedcomponent wordt deze dagen dan ook een niet geringe kostenpost bij bouwprojecten.

Wat dan specifiek verbouwingen betreft aan beschermde monumenten of panden gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht, herinneren we er u ook nog graag aan dat met ingang van 1 januari 2016, lid 2 van artikel 6.3.2. Onroerenderfgoedbesluit reeds van toepassing werd verklaard op aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen met betrekking tot onroerend erfgoed (niettegenstaande dit artikel 6.3.2. OE-decreet op zich enkel handelt over niet-vergunningsplichtige handelingen).

Dit heeft zeer concreet tot gevolg dat reeds bij het aanvraagdossier voor handelingen aan een beschermd gebouw of gebouw gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht o.m. volgende gegevens gevoegd moeten worden:

“een nauwkeurige beschrijving van de werken en de noodzaak ervan, de uitvoeringstechniek en het te gebruiken materiaal, eventueel vergezeld van een technische fiche, de huidige staat van het goed en de precieze plaats waar de werken zullen worden uitgevoerd, aangevuld met tekeningen of plannen, een situeringsplan en fotomateriaal van de bestaande toestand;”

Daar waar tot voordien deze details na het verkrijgen van de vergunning werden kortgesloten met het agentschap Onroerend Erfgoed.

U kan voor meer informatie contact opnemen met Julie Lauwers en Birgit Creemers

Menu