Sinds de Wet van 19 oktober 2015 (BS 22 oktober 2015) is een nieuwe buitengerechtelijke procedure ter invordering van schulden ontstaan. Deze procedure werd ingevoegd in de artikelen 1394/20 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek.

De bepalingen treden in werking op de datum vastgesteld door het Koninklijk Besluit ter uitvoering van deze wet, doch uiterlijk op 1 september 2017. Deze procedure is buitengerechtelijk gezien zij geen enkele tussenkomst van de rechtbank meer vereist. Het is hierbij de taak van de gerechtsdeurwaarder en de advocaat van de schuldeiser om de essentiële juridische voorschriften te respecteren bij het over gaan tot invordering op basis van deze nieuwe procedure.

Het Belgisch betalingsbevel is enkel toepasselijk op de niet-betwiste contractuele schulden tussen ondernemingen ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Het gaat dus enkel om B2B-verhoudingen, het Belgisch betalingsbevel kan niet gebruikt worden ten aanzien van consumenten. Om onder de nieuwe regeling te vallen dient de schuldvordering ontstaan te zijn in het kader van de activiteiten van een onderneming en moet het gaan om een geldsom die niet wordt betwist, vaststaat en opeisbaar is op de dag van de aanmaning. Het bedrag van de schuld is hierbij irrelevant.

De schuldvordering kan verhoogd worden met de invorderingskosten, de wettelijk voorziene verhogingen, intresten en strafbedingen, zonder dat deze laatste twee meer dan 10 % van het basisbedrag van de schuld mogen bedragen. Er worden ook een aantal niet betwiste schuldvorderingen buiten het toepassing van deze regeling gehouden, deze zijn in art. 1394/1 Ger. W. opgenomen.

De invorderingsprocedure bestaat uit verschillende fases, waarbij meerdere actoren aan bod komen.
1) Aanmaning tot betaling (artikel 1394/21 Ger. W.) De gerechtsdeurwaarder, zal op verzoek van de advocaat van de schuldeiser, een aanmaning tot betaling aan de schuldenaar betekenen. De betekening van deze aanmaning dient om de schuldenaar te waarschuwen en hem toe te laten de schuldvordering alsnog te betwisten. De schuldenaar heeft hiertoe een maand de tijd. Deze aanmaning dient te voldoen aan de strikte voorwaarden opgenomen in art. 1394/21, deze zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.
Indien men art. 2244, §1 BW letterlijk interpreteert, dan stuit de aanmaning tot betaling de verjaring van de burgerlijke vordering niet. Toch lijkt deze interpretatie enigszins tegengesteld aan de ratio legis van art. 2244, §2 BW in die zin dat de ingebrekestelling, verzonden per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, wel de verjaring zou stuiten (art. 2244, §2 BW) terwijl de aanmaning tot betalen door de gerechtsdeurwaarder dit niet zou doen, hoewel zij meer zekerheid biedt en hetzelfde doel heeft als de ingebrekestelling.
2) Schorsing of einde van de procedure (art. 1394/23 Ger. W.) De schuldeiser die aangemaand werd heeft twee opties: ofwel betaalt hij de gevorderde schuld en maakt zo een eind aan de buitengerechtelijke procedure, ofwel betwist hij de schuld, dit leidt er toe, ongeacht de aard van de aangehaalde opmerkingen, dat de schuldeiser gehouden is zich alsnog tot de rechter te wenden om zijn schuldvordering te kunnen recupereren. Vanaf dit moment is er immers geen onbetwiste schuldvordering meer (art. 1394/23, al. 1).
De invordering wordt opgeschort indien de schuldeiser en schuldenaar betalingsfaciliteiten zijn overeengekomen (art. 1394/23).
3) Proces verbaal van niet-betwisting (art. 1394/24 Ger. W.) Ten vroegste acht dagen na het verstrijken van de hoger genoemde termijn van een maand, stelt de gerechtsdeurwaarder op vraag van de schuldeiser een PV van niet-betwisting op. Hierin stelt deze vast dat de schuldenaar:
– de schuld niet of niet geheel heeft voldaan, noch betalingsfaciliteiten heeft gevraagd of gekregen, noch de redenen te kennen heeft gegeven waarom hij de schuld betwist.
– of de overeengekomen betalingsfaciliteiten niet is nagekomen.
In dit PV worden eveneens de vermeldingen van de akte van aanmaning en de geactualiseerde afrekening van de schuld in hoofdsom, schadebeding, intresten en kosten opgenomen. Het PV wordt, op verzoek van de gerechtsdeurwaarder, uitvoerbaar verklaard door een magistraat van het Beheers- en toezichtscomité bij het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest bedoeld in art. 1389bis/8. Het PV wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging en maakt, in voorkomend geval, pro rata van het saldo van de schuldvordering, een titel uit die kan uitgevoerd worden en die kracht van gewijsde bezit.
4) Verhaal van de schuldenaar (art 1394/24, al.2 Ger. W.) Eens het PV uitvoerbaar is verklaard, rest de schuldenaar enkel nog de mogelijkheid zich hier tegen te verzetten door een verzoekschrift op tegenspraak neer te leggen. De wet voorziet hiertoe geen termijnen.
5) Het Centraal Register voor de invordering van onbetwiste geldschulden (art. 1394/27 Ger. W.) Dit Centraal Register wordt opgericht en beheerd door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders. Dit Register verzamelt de gegevens die nodig zijn om het juiste verloop van de procedures voor de invordering van onbetwiste geldschulden te garanderen en het PV van niet-betwisting uitvoerbaar te verklaren.

Finaal is het belangrijk er op te wijzen dat de nieuwe procedure tot het invorderen van onbetwiste schulden de bestaande procedures niet vervangt. Dit betekent dat de schuldeiser zich nog steeds tot de huidige procedures kan richten indien de voorwaarden van de nieuwe procedure niet langer zouden voldaan zijn.

Wij verwijzen ook naar Hakim BOULARBAH en J.-F. VAN DROOGHENBROECK, Potpourri I et autres actualités de droit judiciaire, Larcier, CUP, 2016, vol. 164, hfdst, 2.7.

Voor meer informatie kan u bij ons terecht.

Menu